
118
Problemen oplossen
Het onderwerp
is onderbelicht
(te donker).
Er is onvoldoende licht om te
fotograferen.
z
Zet de flitser aan.
Het onderwerp is donkerder dan de
omgeving.
z
Stel de belichtingscompensatie in op een positieve
waarde of gebruik de functie voor spotmetingpunten.
Het onderwerp is buiten het bereik van
de flitser.
z
Wanneer u de flitser gebruikt, moet u ervoor zorgen
dat de afstand tussen lens en onderwerp maximaal
2,0 m is (groothoek-/telebereik).
z
Verhoog de ISO-waarde (zie De ISO-waarde
wijzigen (p. 79)).
Het onderwerp is
overbelicht (te licht).
Het onderwerp is te dicht bij de flitser.
z
Wanneer u de flitser gebruikt, moet u ervoor zorgen
dat de afstand tussen lens en onderwerp minimaal
30 cm is.
Het onderwerp is lichter dan de
omgeving.
z
Stel de belichtingscompensatie in op een negatieve
waarde of gebruik de functie voor spotmetingpunten.
Er schijnt licht in de camera of er wordt
licht gereflecteerd.
z
Pas de hoek aan waarmee u de opname maakt.
De flitsermodus is zo ingesteld dat de
flitser altijd werkt.
z
Zet de flitser op een andere instelling dan Aan.
Er loopt een
verticale lichtstreep
(rood, paars) over
het LCD-scherm.
Het onderwerp is te fel verlicht.
z
Dit is normaal bij apparatuur met CCD’s en duidt niet
op een defect. (De rode lichtstreep wordt niet opge-
nomen bij fotografie maar verschijnt wel in films.)
Probleem Oorzaak Oplossing
Commenti su questo manuale