
129
Problemen oplossen
Problemen
Het beeld is vervaagd
of onscherp.
De camera is bewogen
z
Zorg dat de camera niet wordt bewogen terwijl u op de
ontspanknop drukt.
De functie Automatisch scherpstellen
functioneert niet goed wegens een
obstakel voor het AF-hulplicht.
z
Zorg ervoor dat u het flitsergedeelte van het AF-
hulplicht niet afschermt met een vinger of met iets
anders.
Het AF-hulplicht is ingesteld op [Uit].
z
Stel het [AF-hulplicht] in op [Aan] (pagina 69).
Onderwerp bevindt zich buiten het
scherpstelbereik.
z
Zorg dat de afstand tussen cameralens en onderwerp
ten minste 45 cm bedraagt.
z
Gebruik de modus Macro om close-upopnamen te
maken en stel de camera in op groothoek bij een
afstand van 5 tot 45 cm en op telelens bij een afstand
van 25 tot 45 cm.
Het onderwerp is moeilijk scherp te
stellen.
z
Gebruik de focusvergrendeling of de handmatige focus
om de opname te maken. (Zie Onderwerpen die
problemen opleveren voor automatisch scherpstellen
(pagina 92))
Het onderwerp in
het opgenomen
beeld is te donker.
Er is onvoldoende licht om te fotograferen.
z
Zet de flitser aan.
Het onderwerp is donker in vergelijking
met de achtergrond.
z
Stel de belichtingscompensatie in op een positieve
waarde (+) of gebruik de spotmetingsfunctie.
Onderwerp bevindt zich buiten het
bereik van flitser.
z
Als u de flitser gebruikt, mag de afstand tussen lens en
onderwerp niet groter zijn dan 4,4 m
bij een groothoeklens en 2,5 m bij een telelens.
z
Verhoog de ISO waarde en maak hierna de opnamen.
(Zie De ISO waarde wijzigen (pagina 89))
Probleem Oorzaak Oplossing
Commenti su questo manuale